Eenvoudig voorbeeld van de functie KIEZEN.
Vroeger kreeg je een rapport met daarop cijfers en een omschrijving die bij dat cijfer hoorde. Je weet wel:
“Zeer slecht”, “Slecht”, “Ruim onvoldoende” etc. Hoe weet je nu bij welk cijfer de juiste omschrijving hoort? Door gebruik te maken van de functie KIEZEN kun je dat achterhalen.
De formule die we in cel F11 invoeren is:
=KIEZEN(E11;”Zeer slecht”;”Slecht”; “Ruim onvoldoende”;”Onvoldoende”;
“Twijfelachtig”;”Voldoende”;”Ruim voldoende”;”Goed”;”Zeer goed”;”Uitstekend”)
Vervolgens doorvoeren tot en met cel F20. Je krijgt dan zoiets. Cijfers in E11:E20.

Maar de werkelijk kracht van de functie KIEZEN zie je hieronder in combinatie met de functie VERT.ZOEKEN. De opzet. Je hebt 3 tabellen genaamd tabel1, tabel2 en tabel3.

Formule in cel C11:
=VERT.ZOEKEN(B11;KIEZEN(A11;tabel1;tabel2;tabel3);2;ONWAAR)
KIEZEN(A11;tabel1;tabel2;tabel3) betekent dat KIEZEN in kolom A kijkt, of meer specifiek in cel A11. In die kolom staan de nummers 1, 2 en 3. De functie kiest dus een getal. Dit getal wordt gebruikt om de respectievelijke tabel te kiezen. Vervolgens neemt VERT.ZOEKEN de waarde in kolom B of meer specifiek cel B11 en zoekt dat op in de tabel die KIEZEN heeft geselecteerd. De formule kun je doorvoeren tot C20.
